Naar homepage     
Chronische Cerebro-Spinale Veneuze Insufficiëntie
Aanmelden op het CCSVI.nl forum
Lees Voor (ReadSpeaker)    A-   A+
Over CCSVI.nl | Zoeken | Contact | Forum
PayPal, de veilige en complete manier van online betalen.

iDeal
CCSVI.nl is onderdeel van de
Franz Schelling Stichting
meer informatie
  

10 vragen en antwoorden over het CCSVI-onderzoek

5 augustus 2010

Antwoorden op de tien meest gestelde vragen over het CCSVI-onderzoek van VUmc MS Centrum Amsterdam.

1/ Waarom hebben jullie niet meer dan twintig MS-patiënten onderzocht?

Toen wij in december 2009 besloten een pilotonderzoek te starten, waren alleen de resultaten van Dr. Zamboni bekend (ref 1). In zijn artikel staat dat hij bij 100% van de MS-patiënten afwijkingen vindt in de halsvenen en bij 0% van de controlepersonen.

We hebben aan de Medisch Ethisch Toetsings Commissie gevraagd of het mogelijk was om ons via een versnelde procedure toestemming te geven voor een pilotonderzoek. We hebben toen toestemming gekregen om een pilotonderzoek te doen met twintig MS-patiënten en 20 gezonde controles. Om de toen bekende bevindingen van Dr. Zamboni te bevestigen waren deze aantallen voldoende hoog.

1 - J Neurol Neurosurg Psychiatry 2009;80:392-399 (CCSVI.nl vertaling)

2/ Waarom hebben jullie gekozen voor MRI-onderzoek?

De afdeling radiologie van het VUmc heeft zich gespecialiseerd in het maken van MRI-scans van mensen met MS en wordt wereldwijd gezien als het expertisecentrum op dit gebied. Met MR-venografie, een speciale MRI techniek gericht op het bestuderen van venen, kan niet alleen de structuur van venen bestudeerd worden, maar is het ook mogelijk om de stroomrichting en de stroomsnelheid van het bloed in de bloedvaten te meten.

Daarnaast vonden wij het heel belangrijk dat het onderzoek "blind" werd uitgevoerd. Dat betekent dat de personen die de MRI-scans scoorden niet wisten of de beelden die gescoord werden van een MS-patiënt of van een controlepersoon afkomstig waren, iets wat met ECHO-doppler onderzoek veel moeilijker te bereiken is. Hierdoor hebben we gezorgd voor een objectieve onderzoeksmethode met betrouwbare resultaten.

3/ Hoe hebben jullie de structuren van de venen bestudeerd?

We hebben de bloedvaten van het hoofd en de hals in beeld gebracht met MR-venografie (MRV) om de structuur van de venen te bestuderen. Dit is op twee manieren gedaan: via contrastmiddel versterkte MR-venografie en met fase-contrast MR-venografie.

De beeldanalyse is gedaan door twee ervaren neuroradiologen. Zij hebben gezamenlijk de duizenden beelden die per persoon zijn gemaakt "blind" bestudeerd: zij wisten niet of de persoon van wie ze de beelden bekeken MS had of niet. Dit is gebeurd doordat alle patiëntgegevens op de beelden verwijderd zijn en doordat ook de beelden waarop te zien is of er witte vlekjes in de hersenen zijn, die kunnen duiden op MS, verwijderd zijn. De twee neuroradiologen hebben op de scans beoordeeld of er vernauwingen te zien zijn in de veneuze vaten

4/ Hoe hebben jullie de stroomrichting in de venen onderzocht?

De stroomrichting en de stroomsnelheid van het bloed in de diepe veneuze vaten van de hersenen is gemeten met MR flow metingen. Dit is gedaan door met de MRI doorsneden te maken in de hersenen waardoor enkele diep gelegen venen zichtbaar worden. In deze venen is de stroomrichting en stroomsnelheid gemeten.

5/ Wat voor mensen hebben meegedaan aan het onderzoek?

In de groep van de MS-patiënten waren er 15 vrouwen en 5 mannen. En omdat de zelf meegebrachte controles van hetzelfde geslacht moesten zijn, waren er dus ook 15 vrouwelijke en 5 mannelijke controle mensen. Enkele controlepersonen waren familieleden van de MS-patiënten, in de meerderheid van de controlepersonen was dit niet het geval. De gemiddelde leeftijd lag in beide groepen rond de 35 jaar. De meeste MS-patiënten hadden de ziekte nog niet zo lang, waren goed mobiel en werden behandeld met bijvoorbeeld interferon-bèta of natalizumab.

6/ Wat zijn jullie resultaten?

We hebben bij 10 van de 20 MS-patiënten (50%) vernauwingen van de venen in de hersenen gevonden en bij 8 van de 20 controlepersonen (40%). We hebben bij geen enkele studiedeelnemer, dus niet bij de MS-patiënten en ook niet bij de controlepersonen veranderingen in de stroomrichting gevonden.

Omdat de vernauwingen geen invloed hebben op de stroomrichting en stroomsnelheid van het bloed in de hersenen denken wij dat je niet moet spreken over afwijkingen, maar over anatomische variaties. Niet bij iedereen ziet het vaatstelsel eruit zoals beschreven in de boeken. Dat wil niet zeggen dat je daar dan last van hebt.

7/ Welk advies geven jullie aan mensen met MS?

Omdat er nog steeds geen wetenschappelijk bewijs is dat CCSVI ten grondslag ligt aan klachten van MS-patiënten, blijven wij een negatief advies geven voor de behandeling van vaatvernauwingen bij mensen met MS. We begrijpen dat mensen met MS graag snel een oplossing willen hebben voor hun ziekte, maar wij zijn een wetenschappelijk MS-kenniscentrum en baseren de behandeling van MS zoveel mogelijk op wetenschappelijke bewijzen.

8/ Waarom toch een vervolgonderzoek?

Ons pilotonderzoek heeft aangetoond dat niet alle MS-patiënten vaatvernauwingen hebben. Omdat ons pilotonderzoek, om de bij vraag 1 aangegeven reden, vrij klein was, kunnen wij niet uitsluiten dat een kleine groep MS-patiënten wellicht wél vaatvernauwingen heeft die voor veranderingen in de bloedafvoer van hersenen en ruggenmerg zorgen. Daarom zullen we een onderzoek starten bij een grotere groep MS-patiënten. Ook willen we kijken bij mensen met andere neurologische aandoeningen. Dit omdat de mogelijkheid bestaat dat eventuele vernauwingen misschien niet een oorzaak, maar een gevolg van MS zijn, of een gevolg van het hebben van een aandoening met een afgenomen mobiliteit in het algemeen. Bij deze mensen zullen we voor het onderzoek gebruik maken van zowel Doppler-echografie als MR-venografie.

Meer informatie over het vervolgonderzoek zal te zijner tijd te vinden zijn op onze website: www.mscentrumamsterdam.nl

9/ Waarom geven jullie geen verdere details over jullie pilotonderzoek?

Wij vinden het belangrijk dat de wetenschappelijke discussie over dit onderwerp doorgaat en dat alle onderzoeken op dit gebied worden meegenomen in de discussie. Daarvoor is het van belang dat we onze resultaten publiceren in een wetenschappelijk tijdschrift. Redacties van wetenschappelijke tijdschriften willen geen artikelen publiceren als de resultaten al op andere plaatsen gepubliceerd zijn. Als onze resultaten eenmaal gepubliceerd zijn in een wetenschappelijk tijdschrift, kunnen we meer details bekend maken.

10/ Waarom verschillen de resultaten van de verschillende CCSVI-onderzoeken met elkaar?

Sinds de publicatie van het onderzoek van Dr Zamboni in 2009, die vaatvernauwingen vond bij 100% van de MS-patiënten en bij 0% in de controlegroep, zijn er inderdaad andere resultaten gepubliceerd door andere onderzoeksgroepen. Onderzoek in Buffalo liet vaatvernauwingen zien bij 56% van de MS-patiënten en bij 23% van de controlegroep. Onderzoekers in Berlijn vonden bij geen enkele MS-patiënt en geen enkele controlepersoon vernauwingen. Onderzoekers in Umeå (Zweden) vonden met MRI-venografie vernauwingen bij 14% van de MS-patiënten. Deze verschillen kunnen komen door de verschillende technieken die gebruikt zijn en ook door het al dan niet geblindeerd zijn van de onderzoeken. Mensen hebben de neiging dingen te zien die ze willen zien; dat geldt ook voor wetenschappelijke onderzoekers en patiënten. Daarom is het belang van goed geblindeerd onderzoek zo groot.

Dr. Mike Wattjes, neuroradioloog en Dr. Bob van Oosten, Neuroloog

bron: www.vumc.nl/afdelingen/mscentrum/Nieuws2/4432789/